| Algemene informatie | Ouders / verzorgers | De school | Speciaal onderwijs | De zorg | Stichting Orion |

Deze functie heeft hij tot 1933 vervuld. Als kinderrechter zette hij zich in voor misdeelde en verwaarloosde kinderen. De Jongh werkte gedurende meer dan vijftig jaar in de reclassering en kinderbescherming.
Hij was één van de pioniers van Pro Juventute in Rotterdam. Deze organisatie was opgericht door Prof. Mr. G.A. van Hamel, G.A.M. de Bruijn en Prof. Mr. D. Simons. De taak van Pro Juventute bestond, in de woorden van G.T.J. de Jongh, uit het houden van toezicht op knapen en meisjes, waarover de ouders vrijwillig en uit zichzelf bij de Vereeniging kwamen klagen of die via het parket van den Officier van Justitie wegens een of ander delict aldaar werden aangebracht.
‘Naast het groote volksdeel, dat zoo dringend behoefte heeft aan hulp en raad, (...) staat een even sterke -of nog sterkere- groep van onverschilligen en egoïsten, die tuk zijn op genot en winst en zich geen oogenblik bekommeren om hen, die in den grootsten nood verkeeren.
Doch ook daarnaast een kleine kern van nobele figuren, wier geest op andere dingen is gericht dan eigenbaat en egoïsme. Zij houden hoog in hun opgeheven hand het ideaal van menschenmin en naastenliefde. Geen leuze, maar een daad.'
Uit: Mr. G.T.J. de Jongh, ‘Kinderrecht en maatschappelijk werk’, in: Maatschappelijk werk. Opstellen aangeboden aan Emilie C. Knappert op haar zevenstigen verjaardag 15 juni 1930 (Amsterdam 1930) pagina 186.
De Jongh streed in zijn leven voor de mogelijkheid tot voorwaardelijke veroordeling van verdachten van misdrijven. De voorwaardelijke veroordeling werd in 1914 mogelijk. Hierdoor kon het reclasseringswerk voor volwassenen ontplooien. De Jongh had hierin, als voorzitter van de Afdeling Amsterdam van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen, een groot aandeel.
In 1922 werd De Jongh de eerste kinderrechter te Amsterdam. Deze functie vervulde hij tot 1933. Hij maakte de gezinsvoogdij tot de belangrijkste maatregel van de kinderbescherming. Sommigen vonden dat hij de ondertoezichtstelling te breed toepaste. Hij nam soms beslissingen die voor mensen buiten het kinderbeschermingswerk moeilijk te begrijpen waren; maar die voor betrokkenen heel begrijpelijk waren.
De Jongh’s naam is verbonden aan tehuizen voor de werkende jeugd en werk-en vormingskampen. Nadat hij zijn loopbaan als president van de voogdijkamer van de Amsterdamse rechtbank afsloot, nam hij het initiatief tot oprichting van adviesbureaus voor gezinnen met moeilijkheden. En ook aan het einde van zijn leven bleef hij actief binnen de kinderbescherming.